Loonstijging Belgen in 2022 niet de hoogste van Europa
Op donderdag 28 mei werd N-VA-politicus Axel Ronse geïnterviewd in de coulissen van de Kamer door Terzake-journalist Lieven Verstraete. Er was zonet een debat geweest in de Kamer over enkele ingrijpende hervormingen die de Arizona-regering wil doorvoeren. Eén van die hervormingen is de centenindex. In 2026 en 2028 blijft de automatische indexering volledig behouden voor de eerste 4.000 euro bruto per maand. Voor het deel van het loon boven die grens wordt de indexering tijdelijk beperkt.
Lieven Verstraete vroeg vervolgens aan Ronse of er geen alternatieven voor die maatregel zijn, omdat een burgerbevraging van de VRT aantoont dat veel mensen ongerust zijn over de impact van die centenindex op hun koopkracht. Ronse reageerde daarop door te stellen: “De lonen zijn hier buitengewoon forser gestegen dan in de buurlanden, en dat is al jaren zo”. Volgens Ronse ondermijnen die sterkere loonstijgingen de Belgische competitiviteit.
Om na te gaan of de Belgische lonen effectief sterker zijn gestegen dan die in de buurlanden, kan gekeken worden naar de reële lonen of ‘real wages’. Die geven het gemiddelde loon weer, maar houden ook rekening met inflatie en koopkracht.
Het gekozen startpunt van de vergelijking is daarbij belangrijk. Op aanbeveling van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB), een federaal adviesorgaan, vertrekken we van 2019 om een zo volledig mogelijk beeld te schetsen. Een vergelijking die start in 2021 begint namelijk midden in de coronaperiode, toen uitzonderlijke steunmaatregelen de loonstructuur in België en de buurlanden sterk beïnvloedden. Volgens de CRB kan een evolutie die begint of eindigt tijdens die periode een vertekend beeld geven. In onderstaande grafiek wordt de evolutie van de reële lonen sinds 2019 weergegeven.
Bron: CRB
Wat zien we op de grafiek? In de periode 2021–2022 maakten de reële lonen een scherpe terugval. Volgens de CRB was dit het gevolg van de inflatiecrisis. In 2023 volgde in België vervolgens wel een sterk herstel van de reële lonen. De CRB schrijft die forse stijging toe aan de grote groep werknemers die in januari 2023 een loonindexering kreeg op basis van de hoge inflatie in 2022, gecombineerd met de relatief lage inflatie in 2023.
Maar sindsdien zijn de reële lonen in België wel grotendeels gestagneerd. In de buurlanden zien we daarentegen vanaf 2024 een duidelijke inhaalbeweging. Over de volledige periode genomen zijn de reële lonen in de buurlanden daardoor sterker gestegen dan in België. Dat was althans de prognose van de CRB in februari van dit jaar. De laatste twee jaar zien we ook duidelijk dat alle buurlanden een hogere reële loonstijging kenden dan België.
Een mogelijke verklaring voor die evolutie is de automatische loonindexering. Door de veralgemeende indexering reageren de lonen in België veel sneller op inflatie dan in de meeste buurlanden. Daar bestaan meestal geen automatische indexering of vergelijkbare loonregels. Lonen worden er vooral bepaald via onderhandelingen tussen werkgevers en werknemers, waardoor prijsstijgingen vaak pas later in de lonen terechtkomen.
De reële lonen zeggen dus vooral iets over de situatie van werknemers. Ronse heeft het in zijn uitspraken ook over iets anders: de loonkosten voor werkgevers en de impact daarvan op de concurrentiekracht van Belgische bedrijven.
Dat is geen onbelangrijke zaak, zegt ook Ludovic Dobbelaere van het Federaal Planbureau “Wat de competitiviteit van de bedrijven betreft is het correct te stellen dat de ‘loonkost’ van belang is”.
Wat daarbij vooral telt is de loonhandicap, oftewel het verschil tussen de loonkosten in België en de buurlanden. Want een land waarin werkgevers veel hogere lonen moeten betalen aan hun werknemers dan in de omliggende landen is in theorie minder aantrekkelijk om in te ondernemen. En in België is die loonhandicap groter, gemiddeld met zo’n 2,7% boven de loonkosten van de buurlanden.
België probeert de hogere brutolonen op twee manieren te compenseren. Ten eerste zijn Belgische werknemers erg productief. Daardoor ligt de toegevoegde waarde per gewerkt uur hoog, waardoor hogere lonen minder zwaar doorwegen voor werkgevers.
Ten tweede verlaagt de overheid de loonkosten via loonsubsidies en lagere werkgeversbijdragen. In bepaalde sectoren neemt de overheid een deel van de loonkosten voor haar rekening en dankzij specifieke regelingen betalen werkgevers minder sociale bijdragen.
Ondanks die compensaties blijft België een hogere loonkost hebben dan de buurlanden. Zonder rekening te houden met de hogere productiviteit bedraagt die loonhandicap ongeveer 10%. Wanneer ook met de hogere productiviteit rekening wordt gehouden, blijft er volgens de CRB in 2024 nog een absolute loonkostenhandicap van 2,7% over.
Axel Ronse heeft geen gelijk wanneer hij stelt dat de lonen in België sterker gestegen zijn dan in de buurlanden. België kende in 2023 wel een uitzonderlijk sterke stijging van de reële lonen, vooral als gevolg van de automatische loonindexering na de inflatiecrisis. Sindsdien zijn de reële lonen in België grotendeels gestagneerd, terwijl de buurlanden een inhaalbeweging maakten. Over de volledige periode sinds 2019 zijn de reële lonen in de buurlanden zelfs sterker gestegen dan in België.
Dat betekent niet dat de loonkosten voor werkgevers in België laag zijn. Ook na correctie voor de hogere productiviteit blijft België volgens de CRB kampen met een loonkostenhandicap van gemiddeld 2,7% tegenover de buurlanden. Ronse heeft dus wel een punt wanneer hij wijst op de hogere loonkosten en de mogelijke impact daarvan op de concurrentiekracht, maar zijn bewering dat de Belgische lonen al jaren sterker stijgen dan in de buurlanden wordt niet bevestigd door de beschikbare cijfers.